In februari 2004 hoorde Evert van Rossum dat hij de ziekte van Alzheimer heeft. Hij schrijft als dementerende een column voor de website van Alzheimer Nederland.
Vloeken is niet netjes. Maar soms vervloek ik bijna alles wat voor mijn voeten komt.
Vorige week zondag waren we uitgenodigd voor een etentje in Hoogvliet. Izaaks dochter was tien jaar getrouwd. Voor de meeste mensen een gezellige aangelegenheid, maar voor een alzheimerpatiënt een grote opgave.
Omdat mijn kilometers van Valys spaarzaam zijn, gaan we op de heenweg met de trein en terug met een taxi van Valys. We vertrekken vroeg in de middag zodat ik na aankomst eerst nog even kan gaan slapen.
Om 13.25 uur stappen we in de tram en om precies 16.00 uur arriveren we in Hoogvliet. Een reis van vijftig kilometer doen we dus tweeënhalf uur over. Maar hier mag ik niet over zeuren. Valys zegt immers dat ik makkelijk met een begeleider kan reizen. Aangekomen drink ik nog een kopje thee en hup, naar bed.
Als we om 19.30 uur in het restaurant komen, is Izaaks familie compleet. Het bruidspaar krijgt als verrassing een lang weekend naar Parijs. We kletsen bij met Izaaks jongste dochter die voor vijf maanden naar Ecuador en Peru gaat. Het is een gezellige drukte. Maar drukte en alzheimer gaan niet samen. Ik heb een lange reis achter de kiezen die mij al heeft gesloopt. Mijn energie is verbruikt en nu moet ik ook nog eens mijn aandacht verdelen tussen het gezelschap, het lawaai en het eten. Zelfs eten is dan al een opgave. Uit voorzorg zet Izaak mij in een hoekje, maar het mag niet baten. Naarmate de avond duurt wordt mijn wereldje kleiner en kleiner. Het eten smaakt voor geen meter. Ik moet me goed houden, anders verpest ik de sfeer, realiseer ik me. Maar hoe doe ik dat als ik al mijn energie al heb verbruikt? Dat verdomme reizen breekt iedere keer mijn nek.
Tijdens het eten vervloek ik dat stomme Valys, de rechter die het allemaal zo goed weet, staatssecretaris Bussemaker met haar mooie praatjes (‘Als het slechter met u gaat, doet u dan maar een nieuwe aanvraag’), die Agnes Kant van de SP (nooit geantwoord op mijn vraag of ze mijn situatie eens wil bekijken). Ik wens dat iedereen eens één dag in mijn schoenen zou staan. Dat de staatssecretaris tijdens een diner eens meemaakt wat ik meemaak. Misschien gaan haar ogen dan eens open. Dat stomme gelul, ‘we hebben respect hoe u met de ziekte omgaat’… Dat respect ben ik kwijt. Ik vervloek nu iedereen.
Izaak grijpt in. Hij belt Valys of ze ons eerder naar huis kunnen brengen. Een kwartier later staat een echte Rotterdamse op de stoep. ‘Ik breng jullie veilig naar huis.’ Zonder oponthoud rijden we naar Nieuwegein. Binnen 45 minuten zijn we thuis.
De volgende morgen ben ik een zombie. Gelukkig is Izaak vrij. Bezorgd als altijd, vraagt hij hoe het met me gaat. ‘Gaat wel’, antwoord ik, maar Izaak ziet aan mijn ogen dat dat niet zo is. Hij zit vandaag met de gebakken peren. Maar wie heeft daar nu last van, niemand toch? In ieder geval niet die advocaat die zegt dat ik van reizen geen schadelijke gevolgen oploop. Niemand die zich ook maar enigszins bekommert om mijn welzijn. Weet u hoe het voelt als je een feestje bijna in het honderd hebt laten lopen door je ziekte?
Verdomme, het had zo anders kunnen lopen. Gewoon met Valys heen en terug. Maar helaas, de wereld der dwazen beslist anders. Die dwazen vervloek ik nu. En ze verdienen het! Stelletje...
Evert van Rossum

