Ik kijk naar buiten. Het is prachtig weer. De zon nodigt mij uit om te gaan fietsen en te genieten van de natuur.
Wat is Nederland toch mooi. Ik zie bordjes met een fietsroute en besluit die te volgen. Ik geniet met volle teugen… Opeens denk ik: waar ben ik in vredesnaam? Ik moet naar huis, maar heb echt geen idee waar ik me bevind. Gelukkig zie ik een wegwijzer staan met ‘Vianen 30’. ‘Nieuwegein moet ik kunnen vinden’, spreek ik mezelf moed in. Dan is het nog maar drie kilometer naar huis.
Door alle omwegen heb ik er al zeker veertig kilometer op zitten. Natuurlijk ben ik mijn mobieltje weer eens vergeten. Anders had ik zo mijn zus kunnen bellen. Die haalt mij altijd wel op.
Alle wegen lijden naar Keulen, denk ik. Niet in paniek raken, Evert, fietsen maar. Helaas ben ik letterlijk en figuurlijk de weg kwijt. ‘Je maakt je ook veel te druk’, mopper ik tegen mezelf. Voordat ik op de fiets stapte, had ik me weer eens ergens druk om gemaakt. Ontploft door de wereld der dwazen en toch op de fiets stappen, tja, dat is vragen om problemen.
Dan gebeurt het ongelooflijke. Ik zie een prachtige plek aan een rivier en raak totaal in vervoering. Ik stap af, ga zitten op het plekje, drink wat water en eet een appel. Ik ben weer in mijn eigen wereld. Mijn hemel, wat is die wereld toch prachtig. Alles is weer roze gekleurd!
Er vaart een boot voorbij. De mensen op de boot zwaaien naar mij en ik zwaai terug. Ik denk terug aan de tijd dat ik zelf een boot had. Ik zwaaide ook altijd naar iedereen. Een gevoel van gelukzaligheid bij die gedachte maakt zich van mij meester. Ik stap weer op mijn fiets. Ik ben niet meer alleen. Mijn vriendje Alzheimer zit achterop. Het kan me niets meer schelen dat de wereld der dwazen dwaas is. Ik ben zielsgelukkig in mijn wereld die Alzheimer heet en trap er vrolijk op los.
Hé, een ijscoman. ‘Heerlijk’, roep ik naar de meneer die achter het karretje staat. ‘Welke smaak wilt u?’, vraagt hij.‘Roze, heeft u roze?’‘Met slagroom?’‘Ja, natuurlijk!’ Ik eet nooit ijs, maar nu wel. Dat mag van mijn vriendje Alzheimer. Normaal word ik er doodziek van, maar nu mag alles.‘Dat is dan één euro vijftig’, hoor ik iemand zeggen. Ik heb er nooit aangedacht dat ik ook nog moet betalen. Gelukkig heb ik mijn portemonnee bij me. Er zit ook nog geld in, wat een geluk!
Als een kind zo tevreden, eet ik op een bankje mijn ijsje op. ‘Mooi weer hè?’,
zegt de ijscoman. ‘Het is een heerlijke dag’, reageer ik.
‘Moet u nog ver?’
‘Geen idee’, antwoord ik naar eer en geweten. Allebei glimlachen we.
Als ik in Vianen ben, mag ik met het pontje overvaren naar Nieuwegein, denk ik. Als ik daar ben weet ik ook wel de weg terug naar huis. Lichamelijk kan ik fietsen van Maastricht naar Groningen, maar mijn hoofd wil dat niet. Ontspanning is inspanning.
Finaal versleten kom ik thuis. Mijn hoofd is zo leeg als een vergiet. Het doet
nu echt pijn.
‘Wat heb je vandaag gedaan?’, vraagt Izaak als hij thuiskomt.
‘Heerlijk gefietst!’
Evert
Reageer op deze column

