In februari 2004 hoorde Evert van Rossum dat hij de ziekte van Alzheimer heeft.
Hij schrijft als dementerende een column voor de website van Alzheimer Nederland.
Ieder mens levert iedere dag wel iets in. Vuilniszakken, lege flessen, oud papier,
chemisch afval of grof vuil. Zonder erbij stil te staan leveren we iedere dag
in en dat vinden we de normaalste zaak van de wereld.
Een alzheimerpatiënt levert ook iedere dag iets in: een stukje van zichzelf.
Dat went nooit en dat wordt nooit de normaalste zaak van de wereld. Niet voor
de patiënt en niet voor de mantelzorger.
In mijn geval gaat het proces langzaam, maar natuurlijk veel en veel te snel
om aan het inleveren te wennen. Accepteren is het sleutelwoord. Accepteren dat
het went. Tot voor kort ging me dat erg goed af, maar sinds kort heb ik het er
erg moeilijk mee.
Ik lever veel te veel in en daardoor raak ik de grip op alles kwijt. Ik word
er neerslachtig en depressief van als ik niet oppas. Zelf met mijn nieuwe medicatie
(Cipramil) hou ik het niet in de hand.
Overeind blijven in ‘De Wereld der Dwazen’ is een hele opgave aan het worden.
Ik ben boos, kwaad, nijdig en vijandig op alle dwazen die het leven voor mij tot
een hel maken.
‘Je moet je er niets van aan trekken’, zegt iedereen tegen mij, maar dat is makkelijker
gezegd dan gedaan. Hoe ik het ook probeer, de wereld is dwaas en hij wordt steeds
dwazer. Daar word ik, of ik nu wil of niet, iedere dag mee geconfronteerd. Ze
leveren mij in, ik word als oud vuil aan de kant geschoven.
Soms probeer ik me te verdedigen. Daar heb ik achteraf altijd spijt van. De dwazen
staan niet open voor tegenargumenten. Zij hebben altijd gelijk. Mijn visie is
immers de visie van een alzheimerpatiënt. ‘Ga achter de geraniums zitten of, nog
liever, in het verpleeghuis. Hou in ieder geval je mond. Jij bent geen volwaardig
lid meer van de maatschappij. Jij hebt ingeleverd, jij bent dement!’ Ze zeggen
het niet in je gezicht, maar hun gezicht spreekt boekdelen.
Nog veel erger is dat de dwazen vinden dat ze mij moeten beschermen. Beschermen
tegen hun dwaze wereld, dat is de wereld op zijn kop. Voor hen ben ik de zwakkere
in de samenleving aan het worden door mijn ziekte. Alle goedbedoelde adviezen
ten spijt duwen zij mij nog meer de afgrond in. ‘Wij houden altijd rekening met
je hoor’, die kreet hoor ik vaak. Ze houden zoveel rekening met mij dat ik echt
alles inlever. Ik krijg geen uitnodigingen meer, alles is ‘geen’, ‘geen’, ‘geen’
aan het worden.
Zonder dat iemand het beseft, wordt het me steeds duidelijker: het wordt hoog
tijd dat ik ‘De Wereld der Dwazen’ inlever. Ik zet hem buiten de deur zet, bij
het grof vuil. Wat een opluchting om afscheid te nemen van die troep. Het enige
probleem is: wie wil die troep ophalen? Het blijft maar staan voor mijn voordeur.
Hoe ik ook mijn best doe, ik raak die ballast niet kwijt.
Reageer op deze column

