In februari 2004 hoorde Evert van Rossum dat hij de ziekte van Alzheimer heeft.
Hij schrijft als dementerende een column voor de website van Alzheimer Nederland.
Alsof het nog niet druk genoeg was in mijn hoofd, hebben ze naast de snelweg
flink werk verricht. Het maïsveld is omgeploegd en er is snelgroeiend graszaad
ingezaaid. Nu hebben ze op dat mooie, gladde veld een kermis neergezet met veel
toeters en bellen. Om het feestje compleet te maken hebben ze er ook maar meteen
een circustent bijgezet.
Mijn vriendje Alzheimer is een feestganger, 24 uur per dag is hij wel ergens in een attractie te vinden. Hij laat mij er met volle teugen van genieten. Ik voel hem dag en nacht scheuren in de achtbaan, of ik voel dat hij een bezoek brengt aan het circus. Het orkest schettert door mijn hoofd terwijl de olifanten stampen op de muziek.
Hoe kan iemand zich staande houden als er een compleet circus en kermisterrein in zijn hoofd is geplaatst? Ben je niet gek, dan word je er wel heel langzaam gek van. Het is bijna niet vol te houden. Rust is geen rust meer, ik heb altijd feest in mijn hoofd. Het feest put me uit. Het lopen gaat moeizamer dan ooit en ik kan me niet meer concentreren. Ik ben al uitgeput bij het idee dat ik ergens aan begin. Lichamelijk voel ik me geweldig, maar alle ongenode gasten in mijn hoofd verbruiken al mijn energie.
Mijn vriendje Alzheimer is geen egoïst. Ineens ben ik in een spookslot beland. Ik neem plaats in het karretje en scheuren maar. In de eerste bocht zie ik staan: ‘Wij gaan een nieuwe ecg maken.’ Net bekomen zie ik in de tweede bocht: ‘Wij maken een echo-duplex van je hals.’ De derde bocht: ‘Wij doen een lumbaalpunctie.’ ‘Hahaha!’, hoor ik achter me als ik uit het karretje stap. Even iets rustigers zoeken, de schiettent. Meteen in de roos! De prijs: een doosje Ascal bruistabletten.
Mijn leven staat totaal op zijn kop. Niets is meer zoals het was, ineens gaat alles fout. Ik vergeet mijn sleutels, herken bijna de weg niet meer en ik heb totaal geen interesse meer in dingen. Een oneffenheid is direct een struikelblok. Ik zoek naar de weg om alles weer een beetje in het gareel te krijgen, maar ik zit steeds op dood spoor. Dit ben ik helemaal niet. Dit is totaal iemand anders. Waar is de oude ‘ik’ toch gebleven?
De marathonloper is geknakt. Hij slikt nu Exelon, Cipramil en Ascal. Hoe zet ik toch die kermis stil, breek ik die circustent af en hoe kan ik alle verkeer op kruispunt Oudenrijn tot stilstand brengen?
Dan grijpt Izaak in. Mijn geliefde neemt me woensdag mee naar mijn geliefde eiland, even een weekje ertussen uit. Dat ik doodsbenauwd ben voor de lange reis wuift hij weg. ‘Ik ben toch bij je?’ Gelijk heeft hij, wat kan mij nu gebeuren met hem om me heen? Ik geef me over in zijn armen.
Mijn vertrouwde rustpunt blijft mijn rustpunt, een vriend om op te vertrouwen. Het leven met twee vrienden, wat een ongelooflijk feest. De één sloopt, de ander bouwt op. Wat een leven, echt het leven van een alzheimerpatiënt.
Evert
Reageer op deze column

