In februari 2004 hoorde Evert van Rossum dat hij de ziekte van Alzheimer heeft.
Hij schrijft als dementerende een column voor de website van Alzheimer Nederland.
Als ik vroeger werd uitgescholden, troostte mijn moeder mij altijd. ‘Laat ze
toch. Schelden doet geen pijn, ze zijn niet wijzer.’ Nu ik de ziekte van Alzheimer
heb, mis ik soms haar opbeurende woorden. ‘Het is een vreselijke ziekte, maar
het doet geen pijn.’ Ik weet zeker dat zij me met die woorden zou troosten.
In mijn zolderkamer was het een poosje hommeles. Ik werd gek van de kermis, het
circus en het verkeer dat maar door mijn hoofd raasde. Mijn geriater nam mijn
verhalen serieus en samen zijn we op zoek gegaan naar een medicijn dat rust in
mijn hoofd brengt, zonder dat ik er suf van word. Dat is gelukt. De rust in mijn
hoofd is aardig teruggekeerd. Maar wat zou ik graag mijn hoofd nog een keer op
mijn moeders schouders leggen en haar vertellen dat het nog steeds pijn doet.
Zij zou me wel begrijpen.
Dat ik stomme fouten maak, nemen Izaak en ik voor lief. Als ik een kaars met
het aansteeklont naar beneden in een kandelaar zet, maakt Izaak een gekscherende
opmerking. Op Gran Canaria kochten we een prachtig tafelkleed. Maar wie legt de
mooie kant onder? Ik natuurlijk. En wie loopt er met verschillende kleuren sokken
of verschillende handschoenen rond? Ik. In ons huis verdwijnen zomaar messen,
scharen, ja, de vreemdste voorwerpen. Het lijkt wel alsof het spookt. Maar Izaak
lacht erom en zegt: ‘Het doet toch geen pijn? In de winkels liggen genoeg scharen
en messen.’ Hij is doodsbenauwd dat ik op een dag alles meeneem, maar dat is gelukkig
nog nooit gebeurd. Hoewel, dat weet ik niet zeker… Ach, en al zou het een keertje
gebeuren, wat dan nog? Het doet toch geen pijn.
Door de goed afgestemde medicatie – voor mijn gevoel ben ik een junk die iedere
dag zijn shot nodig heeft - kan ik eindelijk weer zeggen dat ik het leven lief
heb. Maar er zit bij mij altijd een addertje onder het gras. Er is altijd iets
dat ik niet onder bedwang kan houden. Op dit moment is het mijn boosheid. Als
ik voor mijn gevoel terecht kwaad of bood ben, dan geef ik ‘em van katoen. Dan
komt het echt uit m’n tenen. Ik weet het, de wereld is dwaas en die kan ik niet
veranderen, maar waarom ga ik dan toch zo tekeer? Het resultaat is dat ik drie
dagen mijn stem kwijt ben van het schreeuwen. Voor Izaak overigens een heerlijke
tijd. Als ik drie dagen niet kan praten is het lekker rustig in huis. Maar ach,
dat doet ook geen pijn.
De aanleiding? De pijn zit van binnen en kan ik alleen begrijpen. De machteloosheid
als mijn goede bedoelingen in de wind worden geslagen. Of als ik op een eerlijke
vraag geen antwoord meer krijg. Nu moet ik aan de geriater weer een medicijn vragen
om die pijn van woede te onderdrukken. Dat ik medicatie moet vragen om te overleven
in de Wereld der Dwazen doet pijn, geloof me.
Ik zou graag eens aan mijn moeder vertellen: ‘Mama, ze vinden mij “gek” of “achterlijk”.
Mensen nemen mij niet meer serieus. Ja, ze doen alsof, maar achter m’n rug lachen
ze me uit.’ Mijn moeder zou mij onder haar vleugels nemen en beschermen. ‘Lieverd,
ze zijn niet wijzer, domme mensen zijn er nu eenmaal meer dan wijze’, zou ze zeggen.
Schelden doet geen pijn. Dat mensen mij nu niet meer serieus nemen, dát doet
pijn. Pijn die met geen pen te beschrijven valt, hoe graag ik ook zou willen om
deze gevoelens op papier te zetten. Het is een nieuwe pijn die ik nog niet kan
benoemen omdat mijn vriendje Alzheimer mij nog niet toelaat in zijn wereld te
kijken. Hij laat mij eerst zien hoe de Wereld der Dwazen in elkaar steekt. Dan
wordt het makkelijker om straks van deze wereld afscheid van te nemen.
Nu kruip ik maar onder Izaaks vleugels. Hij beschermt me gelukkig wel. En dat
doet helemaal geen pijn. Daar zit ik voorlopig lekker knus en warm.
Evert
Reageer op deze column
Lees andere columns van Evert van Rossum

