Alzheimer Nederland

Frontotemporale dementie

De term frontotemporale dementie (FTD) omvat dementie die ontstaat in de frontaalkwab en/of de temporaalkwab. Stoornissen in deze hersengebieden geven vooral problemen met het gedrag, emoties, taal of motoriek. Het ziektebeeld komt vaak op jongere leeftijd voor.


Frontaal- en temporaalkwab
Bij FTD zijn vooral het voorste deel van de hersenen (de frontaalkwab) en/of het slaapbeen (de temporaalkwab) beschadigd. Deze hersengebieden zijn verantwoordelijk voor onze besluitvorming en coördinatie en voor onze emotionele reacties en taalvaardigheid.

Meerdere vormen
Frontotemporale stoornissen kunnen worden ingedeeld in drie groepen, afhankelijk van de eerste symptomen die optreden:

  • Verandering in gedrag/persoonlijkheid: deze vorm wordt gekenmerkt door veranderingen in persoonlijkheid, gedrag, emoties en het beoordelen van situaties (gedragsvariant van FTD).
  • Verandering in taal: Deze vorm wordt gekenmerkt door vroege veranderingen in taalvaardigheid, zoals spreken, begrijpen, lezen en schrijven (Primair progressieve afasie, Semantische dementie)
  • Veranderingen in motoriek: Deze vorm wordt gekenmerkt door moeilijkheden met bewegen, zoals trillen, moeite met lopen, vaak vallen en problemen met de coördinatie (Corticobasaal syndroom).

Verschijnselen
De eerste verschijnselen van frontotemporale dementie zijn afhankelijk van de plaats in de hersenen die het eerst wordt aangedaan. Meestal staan veranderingen in gedrag, persoonlijkheid en spraak op de voorgrond. Geheugenproblemen -kenmerkend voor andere vormen van dementie- treden bij de meeste mensen met frontotemporale dementie pas later op.

Jongere leeftijd
Eén van de meest opvallende kenmerken van frontotemporale dementie is dat deze ziekte al op relatief jonge leeftijd voorkomt. Het groot deel van de mensen die door deze ziekte wordt getroffen, is tussen de 40 en 60 jaar.

Erfelijke vormen
In 25 tot 40% van de gevallen is frontotemporele dementie erfelijk. Enkele erfelijke vormen van frontotemporale dementie worden veroorzaakt door een afwijkend gen. Hierdoor functioneert het tau-eiwit, dat een rol speelt in het transport van stoffen in de hersencel, niet goed meer en sterft de hersencel uiteindelijk af.

Werk en dementie
Als iemand, bij wie de diagnose dementie is gesteld, nog werkt, is het raadzaam de diagnose snel te vertellen op het werk. Collega's hebben vaak in de gaten dat er dingen op het werk niet goed gaan. Het vertellen van de diagnose aan collega's, eventueel samen met partner, kan verduidelijking geven. Het is belangrijk wensen en mogelijkheden met de werkgever te bespreken, zoals aangepast werk of vroegpensioen. Zelf voorstellen om minder te gaan werken of ontslag te nemen, is niet verstandig. Lees voor meer zaken die u kunt regelen de brochure Dementie en rechtsbescherming.