Het belang van het signaleren van bijwerkingen van medicatie

Vestiging Alzheimer Nederland

Leven met dementie is geen gemakkelijke opgave, ook niet voor een naaste. Zeker als je partner of ouder ander gedrag gaat vertonen, bijvoorbeeld snel boos, wantrouwend, agressief of apathisch wordt. Dat zijn bekende verschijnselen van dementie. Maar sommige verschijnselen kunnen ook veroorzaakt worden door de medicijnen die worden voorgeschreven. Hoe kom je daar achter en wat kun je daaraan als naaste doen?


Dementie remmen
De eerste symptomen van dementie zijn vaak vergeetachtigheid, niet op woorden kunnen komen, moeite om een gesprek te voeren of apparaten niet meer kunnen bedienen. Als eenmaal de diagnose dementie is geconstateerd, dan kan de behandelend arts voorstellen om medicijnen voor te schrijven. Bijvoorbeeld medicijnen om de dementie af te remmen, zoals galantamine (Reminyl), memantine (Ebixa) of rivastigmine (Exelon, Permente, Prometax). Deze 'dementieremmers' kunnen bij een klein deel van de gebruikers de dementie een poosje tot stilstand brengen of de cognitie (het denken, herinneren, herkennen) licht verbeteren. Ze kunnen wel de nodige  bijwerkingen geven, zoals hoofdpijn, duizeligheid, flauwvallen, misselijkheid, braken, diarree, verminderde eetlust, slapeloosheid, of juist slaperigheid, onrust en verwarring. Gelukkig krijg je nooit van alle bijwerkingen last, maar je moet met de arts de voordelen wel goed afwegen tegen de nadelen.

Probleemgedrag
Ook het karakter kan door de dementie veranderen: de lieve echtgenoot of echtgenote van vroeger wordt steeds vaker boos, achterdochtig of lusteloos. Of vertoont opeens ontremmingsgedrag. Mensen met dit zogeheten 'onbegrepen gedrag' worden voor hun omgeving vaak moeilijk hanteerbaar. Daarvoor kan de arts medicijnen voorschrijven. Bij onrust, agressie, wanen, nachtelijke onrust en omkering van het dag-nachtritme kan de arts kiezen  voor een antipsychoticum, zoals haloperidol (Haldol) en risperidon (Risperdal). Bekende bijwerkingen zijn sufheid, slaperigheid en bewegingsstoornissen, zoals spiertrekkingen, trillen en stijfheid. Bij angst of onrust schrijft de arts meestal een kalmeringsmiddel of een middel tegen depressies voor. Ook deze middelen hebben bijwerkingen.

Verandering van medicatie
Het is belangrijk om alert te zijn op veranderingen in het gedrag van je naaste, zeker als deze gedragsproblemen heeft en hiervoor medicijnen slikt. Dan doe je er goed aan om jezelf af te vragen wat de oorzaak kan zijn. Is de dementie in een volgend stadium beland? Kunnen andere aandoeningen of problemen de oorzaak van het probleemgedrag zijn? Of zou het een bijwerking van de medicijnen kunnen zijn? Wees extra alert als je naaste met medicijnen start, van medicijn verandert of als de dosering door de arts wordt gewijzigd. Dat heeft vaak invloed op het gedrag en functioneren, in positieve maar helaas ook in negatieve zin.

Signalen doorgeven
Wat te doen als je verandering in het gedrag van je naaste signaleert? Dat hangt af van de situatie. Dien je zelf de medicatie toe, en is er geen thuiszorg, dan kan je het beste rechtstreeks met de behandelend arts contact opnemen om je signalen door te geven. De arts kan dan bepalen of er wellicht iets aan de medicatie aangepast moet worden. Komt de thuiszorg regelmatig langs om te helpen bij de persoonlijke verzorging of toedienen van de medicatie, dan kan je je zorgen en signalen ook met hen bespreken. Je kunt hen ook vragen of zij ook bepaalde gedragsveranderingen hebben gesignaleerd, en of dit door de medicijnen zou kunnen komen. Zij kunnen dit dan aan de arts doorgeven. Soms hebben zij hierover ook afspraken gemaakt met de arts en apotheker.

Erik van Rijn van Alkemade,
Stafadviseur Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik

 

Dit nieuwsbericht is gepubliceerd door