Vijf vragen over de Wet zorg en dwang

Wet Zorg en Dwang
Wet Zorg en Dwang

De nieuwe wet zorg en dwang is op 1 januari 2020 ingegaan. Die wet regelt dat zorgprofessionals op zoek moeten naar alternatieven wanneer bijvoorbeeld iemand met dementie geen toestemming geeft of zich verzet tegen bepaalde zorg. Wat betekent dit in de praktijk? Vijf vragen over de wet zorg en dwang.

1. Voor welke zorg geldt deze wet?

De wet geldt voor alle soorten zorg, zowel in verpleeghuizen als bij mensen thuis, op een dagbesteding of op een zorgboerderij. Daarom kan iedereen met dementie te maken krijgen met deze wetgeving. De wet zorg en dwang vervangt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, die alleen van toepassing was op onvrijwillige zorg en opname in het verpleeghuis.

2. Wat is onvrijwillige zorg?

Als iemand met dementie hulp nodig heeft van de thuiszorg of bijvoorbeeld geadviseerd wordt te verhuizen naar een verpleeghuis, kan het zijn dat hij zich hiertegen verzet. Dit wordt onvrijwillige zorg genoemd. Een paar praktijkvoorbeelden zijn dat iemand medische controles en onderzoeken weigert, niet gecontroleerd wil worden via camera’s of sensoren of bijvoorbeeld geen eten, drinken of medicijnen gegeven wil krijgen van een verpleegkundige.

3. Wat betekent ‘Nee, tenzij’?

Verzet iemand zich tegen deze soorten zorg? Dan is de kern van de wetgeving ‘Nee, tenzij.’ Dit betekent dat onvrijwillige zorg alleen wordt gegeven wanneer het écht niet anders kan en er te grote risico’s zijn voor de persoon met dementie of zijn naasten. In de kern moet de zorgverantwoordelijke eerst op zoek gaan naar alternatieven. Dat wordt gedaan met het stappenplan.

4. Wat houdt het stappenplan in?

Het stappenplan voor de wet zorg en dwang bestaat uit drie stappen en moet doorlopen worden als de zorgverlener onvrijwillige zorg wil leveren. In het plan gaat hij samen met anderen op zoek naar alternatieve oplossingen.

Stap 1: Wat zijn alternatieve oplossingen om toch de juiste zorg te bieden? De zorgverlener kijkt samen met de persoon met dementie of er andere mogelijkheden zijn waar wel mee wordt ingestemd. Dit is dan gewoon vrijwillige zorg. Wordt er geen alternatief gevonden? Dan volgt stap 2,

Stap 2: De zorgverantwoordelijke bespreekt het probleem met verschillende experts, zoals een psycholoog, specialist ouderengeneeskunde of psychiater. Ten minste één van deze expert moet een ander beroep hebben dan de zorgverantwoordelijke. Vinden de experts samen een oplossing waar de persoon met dementie mee instemt? Dan wordt dit opgenomen in het zorgplan. Zo niet, dan wordt er besloten welke onvrijwillige zorg er gegeven wordt en hoe lang. Dit mag maximaal drie maanden duren. Lukt het niet om in die periode de onvrijwillige zorg af te bouwen? Dan volgt stap 3.

Stap 3: Na drie maanden moet de zorgverlener in gesprek met een expert van een andere organisatie. Als er ditmaal wel een oplossing wordt gevonden, wordt dat in het zorgplan opgenomen. Is er weer geen geschikte oplossing waar de persoon met dementie het mee eens is? Dan wordt het advies voor de te geven zorg in het zorgplan opgenomen. Deze onvrijwillige zorg mag maximaal zes maanden gegeven worden. Daarna moet deze iedere zes maanden beoordeeld worden in samenspraak met een Wzd-functionaris. Deze arts of GZ-psycholoog ziet erop toe dat er zo min mogelijk onvrijwillige zorg is.

5. Wat als de naasten van de persoon met dementie het niet eens zijn met de onvrijwillige zorg?

In dat geval kan er een cliëntenvertrouwenspersoon worden ingeschakeld, een CVP. De CVP is onafhankelijk en dus niet in dienst bij de betreffende zorgorganisatie. Hij staat de mantelzorger bij in het hele zorgproces voor de persoon met dementie.

Kijk voor meer informatie over de Wet zorg en dwang op een van de volgende websites:

 

Dit nieuwsbericht is gepubliceerd door