Een mooi persoonlijk verhaal: van stage naar fulltime baan

‘Ik probeerde mensen af te leiden als ze verdrietig waren’

‘Ik probeerde mensen af te leiden als ze verdrietig waren’

Één jaar corona

Siham Said (20) werkte naast haar stage als bijbaantje in een verpleeghuis toen een jaar geleden corona uitbrak. Het werd maandenlang een fulltimebaan en zij werd een ander mens.

Tekst Sheila Kamerman Foto’s Andreas Terlaak

‘Drie bewoners gedroegen zich anders dan normaal, dat weekend eind maart. We hadden er een vreemd gevoel over. Ze keken angstig, waren slap, ze trilden. Bij één patiënt dachten we aan een tia of kleine hersenbloeding.

Het was het begin van de coronacrisis, maar dat beseften we toen nog niet. Ik had wel wat gehoord over corona, op het nieuws en op de radio en zo. Maar ik had geen idee wat dat voor mij of voor het werk zou betekenen. Niemand wist dat toen eigenlijk. Ik liep op dat moment vier dagen per week stage in een revalidatiecentrum. Daarnaast werkte ik als verpleegkundige in verpleegtehuis Vitalis Vonderhof in Eindhoven. Ik was daar begonnen als stagiair op mijn zeventiende, en gebleven. Ik werkte op een afdeling met psychogeriatrische patiënten, dat zijn dementerenden.

Regelmatig koos ik voor een dubbele dienst. Van zeven tot half vier in het revalidatiecentrum. En dan nam ik de bus naar het verpleegtehuis. Onderweg at ik een boterham en dan werkte ik van vier tot elf uur ’s avonds. Zo deed ik dat ook de woensdag na dat vreemde weekend. Ik had inmiddels al via de werk-appgroep het nieuws gehoord: drie bewoners waren getest. Alle drie positief. Ik was me naar geschrokken. Ik had geen idee wat dat betekende. Voor hen en voor de twaalf andere bewoners. En voor ons, de verplegers en verpleegsters.

Na een paar dagen lagen er vijf mensen op hun sterfbed. Woensdag hoorden we dat ze ziek waren en zaterdag lagen ze op sterven. Ik had er onbeschermd tussen gelopen. Nu weten we wat je moet doen, hoe je de mensen het best kunt helpen. Toen wisten we helemaal niets over die ziekte. Er was geen plan van aanpak. Niets.

Lees ook: Op een dag viel het niet meer mee in het verpleeghuis

Dat weekend ging ik werken. Ik moest me voor het eerst helemaal in een pak hijsen. Handschoenen aan, mijn haar onder een kap. Gezicht bedekt met bril en mondmasker. Bewoners zitten graag aan je gezicht. Of ze zitten aan mijn krullen. Die vonden ze mooi. Dat kon niet meer. Alles was bedekt. Voordat ik de afdeling opging heb ik een foto gemaakt. Ik sta er lachend op en maak een peaceteken. Zo van: ‘Dit kunnen we aan.’

Tien minuten later was ik een ander mens.

Ik heb het werk in het verpleeghuis altijd heel leuk gevonden. Het past bij me. Je bouwt een band op met de bewoners. Ze vertellen je over hun leven. Je lacht met ze. Je probeert ze af te leiden als ze verdrietig zijn. Soms ben ik een soort actrice. Dan wil een oudere dame naar haar man, of naar haar kinderen. Of ze wil naar haar moeder. Dan zeg ik: ‘Je moeder is even boodschappen doen. Ik heb met haar afgesproken dat je vanmiddag bij mij bent.’ En dat vinden ze prettig om te horen. ‘Oh, fijn zuster.’

Soms zijn er ook verrassingen. Zo dacht een cliënte dat ik een affaire had met haar man. Ze was vergeten dat hij allang was overleden. Ik vertelde haar dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Ik heb kennelijk grote overtuigingskracht, want dat lukte uiteindelijk. Het houdt het werk leuk. Elke dag is weer anders.

Maar die zaterdag en zondag moest ik ze steunen bij het uitblazen van hun laatste adem.

Ze hadden het heel benauwd. Ze zagen grauw. Ze moesten hoesten, veel hoesten. Ze waren angstig. Heel ziek. De dementie speelt dan een grote rol. Ze hebben geen idee wat er gebeurt en kunnen moeilijk verwoorden wat ze voelen. Je probeert het zo comfortabel mogelijk te maken. Ik werkte op de automatische piloot. En ben van kamer naar kamer gerend. Ik probeerde te doen wat ik kon doen. Ik wilde dat ze zich niet alleen voelden.

Zuster, je rent te hard

Een man, hij had mijn hart veroverd. Hij was 94. Zo’n schat. ‘Oh, zuster, je rent te hard’, zei hij dan. ‘Kom even bij me zitten. Dan drinken we even koffie.’ Dat was vóór de coronapandemie. Ondanks zijn dementie zag hij dat. Hij had me al een mooie levensles gegeven. Ik was druk met stage en werk, ik was nauwelijks thuis. Hij zei: ‘Meid, je moet het op je gemak doen. Niemand anders gaat dat voor je beslissen.’

Maar nu was hij ziek en pakte hij mijn hand vast. ‘Zuster, ik ben zo bang om dood te gaan. Ik wil nog niet. Ik kan mijn broer niet alleen laten.’

Lees ook: ‘Pap, ik hou van je, en groetjes aan mam’

Je voelt je dan ontzettend negentien. Maar ik heb zijn hand stevig vastgehouden en gezegd: ‘Je hebt een mooi leven gehad en hebt het zo goed gehad. Je hebt het goed gedaan. Ik zal je niet in de steek laten.’ Ik zat helemaal ingepakt in dat witte pak aan de rand van het bed. Ik probeerde hem te troosten, maar was ook aan het huilen. Hij gaf een kus op mijn handschoen.

Het zijn niet alleen cliënten, het worden vrienden. Je kent hun familieleden. Hun partners als die er zijn, hun kinderen. Ik was een verpleegkundige, arts, familie, alles in een. Zo voelde dat. Er mocht bij de meeste stervenden geen familie bij zijn. Die meneer van 94 is gegaan zonder dat er iemand van zijn familie bij hem kon zijn. Dat is onvoorstelbaar.

Je hebt geen tijd om te rouwen, je moet door. Ik kijk naar het gezicht om erachter te komen hoe ze zich voelen. Is het gezicht ontspannen, dan gaat het wel. Als ze moeilijk kijken, dan is er iets mis.

Het verpleeghuis waar ik werk heeft drie gesloten afdelingen. Iedere afdeling heeft twaalf cliënten. Ik werkte vooral op één afdeling. Aan het begin van de coronacrisis waren zes mensen ziek.

Een man van 74, sportief, best fit en vrolijk. Als ik ergens mee bezig was, kwam hij helpen. Af en toe was hij nukkig. Maakte je een grapje, dan moest hij weer lachen.

Het was mijn tweede avonddienst sinds het begin van de crisis. Ik kwam binnen en zag het meteen. In één dag was hij enorm achteruitgegaan. Hij had circulatievlekken op zijn benen, keek door me heen. Zijn glimlach was verdwenen. Een angstige, eenzame, huilende man. Hij wilde uit bed komen.

Ik zei: ‘Ik blijf bij je.’ Ik heb voor hem gezongen: ‘Daar bij die molen, die mooie molen…’ Op dat liedje hadden we een paar weken eerder nog samen gedanst in de gezamenlijke huiskamer. Ik ben op zijn bed gaan zitten. Ik was toch volledig ingepakt. Ik zei: ‘U heeft een mooi leven gehad. Uw vrouw en zoon zijn tevreden.’ Ik probeerde superlieve dingen te zeggen. ‘Het is goed zo. U kunt gaan, iedereen vindt het goed.’ Na vijf minuten was hij er niet meer. Hij is in mijn armen overleden. Ik denk daar nog heel vaak aan.

Ik liep van kamer naar kamer. Altijd mijn hand op mijn hart. Letterlijk. Ik wist niet wat ik zou aantreffen.

We hebben gewerkt, gewerkt, gewerkt. Een dienst draaien in het verpleeghuis na mijn stagedag in het revalidatiecentrum werd, in de coronatijd, normaal, ook elk weekend was ik nodig. Het was gewoon heel druk, er waren zieke collega’s. We draaiden diensten tot elf uur ’s avonds. En dan zat ik tot twee uur in de ochtend op kantoor om alles vast te leggen.

23 dagen achter elkaar

Op een gegeven moment had ik 23 dagen achter elkaar gewerkt. Ik had één dag vrij en heb alleen maar geslapen. De dag erna ben ik weer naar het werk gegaan. Ik woon nog thuis maar mijn ouders zag ik bijna niet. Ik voelde me voor de cliënten verplicht om te gaan. Als mensen doodgaan, is het belangrijk dat er iemand bij je is die je kent.

De band met mijn collega’s was goud. Ik kon alles met hen bespreken. Soms zat ik met een collega te huilen op kantoor. We steunden elkaar. We wisten precies wat er speelde, alleen al door de manier waarop iemand keek.

Meneer P., meneer J., mevrouw R., mevrouw U., meneer P., mevrouw R... Op mijn afdeling overleden negen van de twaalf cliënten. Op de andere afdelingen ging dat net zo.

Elke dag kwam de lijkwagen. Je rijdt het lichaam van de overledene de lift in, je begeleidt het naar buiten. En je weet: ik zal je nooit meer zien. Het zijn natuurlijk oude mensen, die niet heel gezond zijn. Maar het waren er zo veel, het ging zo snel. Zonder corona zouden ze nu waarschijnlijk nog leven. En tegelijkertijd went het ook. Het is heel gek.

Aan het eind van de eerste golf, zo eind mei, waren de meeste bewoners overleden. Zij die het hadden overleefd, kwamen uit quarantaine. We zetten de deuren en ramen open. Letterlijk. Maar het voelde ook zo.

Er was nog steeds verdriet. Een vrouw was haar maatje kwijt. Ze zaten altijd samen in de huiskamer en bij het eten. Ze hielpen elkaar, zo dementerend als ze waren, en zorgden voor elkaar. Hij was haar uitlaatklep. Hij overleed aan corona en zij kon geen afscheid van hem nemen. Ze begreep wel dat hij was overleden. Ze huilde.

Lichtpuntjes in de zomer

Een tijdje was de afdeling behoorlijk leeg. We hadden nog maar vier cliënten. Langzaam werden de kamers weer gevuld. Na dat afschuwelijke voorjaar was het een rustige zomer. Ik kon voor het eerst stilstaan bij wat er was gebeurd. Ik heb altijd even tijd nodig om veranderingen te verwerken, dat was in die maanden niet gelukt. We hadden niet kunnen rouwen. In die zomer zagen we weer lichtpuntjes.

In juni 2021 ben ik klaar met mijn studie verpleegkunde. Officieel studeerde ik in die tijd ook. Maar de scholen zaten dicht natuurlijk. Ik had één keer in de twee weken online les. Dan vertelde ik wat ik meemaakte. Mijn medestudenten en docenten waren onder de indruk. Ik was de enige die op zo’n plek werkte. Eindhoven was tijdens de eerste golf geen brandhaard. Behalve dan in de verzorgingstehuizen.

Ik heb afgelopen zomer drie weken vakantie gehad en de rest gewerkt. Mijn stage was afgelopen. Ik had weer ruimte om vooruit te kijken. Ik ben mijn examenjaar ingegaan.

Ik ben zelf niet ziek geweest. Ik ben verschillende keren getest, steeds negatief. Eén keer had ik zelf klachten. Ik heb één dag in quarantaine gezeten tot de uitslag: negatief. Toen ging ik meteen weer aan het werk. Maar ergens denk ik: het is heel onwaarschijnlijk dat ik het niet heb gehad. Ik heb zo dicht op zieke mensen gezeten. Ze hoesten, ze proesten. Ze raakten mij aan, ik raakte hen aan.

Doordat ik gelijktijdig op een revalidatieafdeling stage liep, heb ik ook een andere kant van corona gezien. Daar waren ook mensen besmet. Zij waren ook benauwd, ze werden ook ziek maar de meesten – op twee na – overleden er niet aan.

In december werd ik twintig jaar, dus ik ben nog jong. Ik ben optimistisch van nature en dat is sterker geworden. Ik besef nu meer hoe kwetsbaar het leven is. Het kan zo afgelopen zijn.”

Bron: NRC

Dit nieuwsbericht is gepubliceerd door