8 belangrijkste ontdekkingen uit dementieonderzoek

Wetenschappers uit binnen- en buitenland leveren een bijdrage aan onze kennis over het uitstellen, vertragen en verminderen van symptomen. Uiteindelijk willen we met deze kennis de verschillende soorten dementie voorkomen en stoppen. De groeiende kennis brengt ons dichter bij het moment waarop we dementie een halt toe kunnen roepen. Op weg hiernaartoe hebben wetenschappers de afgelopen jaren al veel bereikt. De belangrijkste inzichten zetten we hier op een rij.

1. Hersenveranderingen bij verschillende soorten dementie

Al rond het jaar 1900 werden voor het eerst de hersenen onderzocht van mensen die leden aan dementie. De artsen die dit belangrijke werk deden, ontdekten dat de hersenen van mensen met dementie op belangrijke manieren afwijken van mensen die overleden zonder dementie.

  • Al in 1843 beschreef de Franse arts Maxime Durand-Fardel, dat hersenbloedingen kunnen leiden tot verandering van gedrag. Lange tijd, tot zeker het midden van de 20e eeuw, werd in de wetenschap eigenlijk alle vormen van dementie op latere leeftijd, vaak foutief, toegeschreven aan ‘aderverkalking’. Inmiddels wordt geschat dat ongeveer 1 op de 5 gevallen van dementie voornamelijk wordt veroorzaakt door één of meerdere hersenbloedingen of infarcten.
  • Neuroloog (Arnold) Pick zag in 1892 dat bepaalde hersendelen gekrompen waren bij mensen die de ‘Ziekte van Pick’ hadden. De ziekte van Pick werd later samen met andere ziektebeelden hernoemt tot Frontotemporale dementie (FTD).
  • Alois Alzheimer beschreef in 1906 voor het eerst de ziekte van Alzheimer. Hij had het over eiwitneerslagen die tussen en in de hersencellen voorkwamen.
  • In 1912 beschreef de neuroloog Friedrich H. Lewy, voor het eerst Lewy body dementie. Ook bij deze ziekte komen eiwitneerslagen voor in de hersencellen.

2. Ophoping van eiwitten vaak kenmerkend voor dementie

Wetenschappers zagen bij mensen met dementie in onderzoeken vaak eiwitten in of rondom hersencellen. In 1900 konden ze nog niet aantonen om welke eiwitten het ging. Deze technologie moest nog ontwikkeld worden. Het duurde vele tientallen jaren en bij sommige vormen van dementie meer dan een eeuw voordat ze wisten welke eiwitten een rol speelden . Die eiwitten bleken vaak ook te verschillen per ziektebeeld.

Voor de ziekte van Alzheimer werd ontdekt dat het eiwit ‘beta amyloid’ (1984) tussen de hersencellen neerslaat en dat ‘tau’ (1986) in hersencellen eiwitkluwen vormt. De zogenaamde amyloid ‘plaques’ en tau ‘tangels’.  In 1997 werd bekend dat het eiwit alfa synucleïne neerslaat bij lewy body dementie en de hieraan gerelateerde ziekte van Parkinson. Onderzoek naar frontotemporale dementie (FTD) bracht daarna ook nieuwe eiwitten aan het licht. Het was al bekend dat het bovengenoemde eiwit tau soms een rol speelt bij FTD. Pas deze eeuw werden andere eiwitten ontdekt die ook kunnen neerslaan bij FTD, zoals TDP-43 (in 2006) en FUS (2009).

3. Prikkel overdragende stofjes (neurotransmitters) verminderd aanwezig bij dementie

In de jaren zeventig ontdekten wetenschappers dat in de hersenen van mensen die overleden waren aan de ziekte van Alzheimer een belangrijk eiwit verminderd aanwezig was. Dit eiwit zorgt voor de productie van ‘acetylcholine’. Dit stofje, een zogenaamde neurotransmitter, zorgt voor de overdracht van signalen van de ene hersencel naar de andere. Hierdoor kunnen hersencellen met elkaar communiceren.

In de jaren tachtig begon het onderzoek om de hoeveelheid van dit stofje te verhogen met medicijnen. Dat onderzoek is de basis van verschillende (vergelijkbare) medicijnen tegen de ziekteverschijnselen van alzheimer, Parkinson dementie en Lewy body dementie. Deze medicijnen verminderen de afbraak van acetylcholine en het eerste middel kwam in 1998 op de markt. Onderzoek naar een ander prikkeloverdragende stof ‘glutamaat’ leverde nog een medicijn op. Dit medicijn zorgt er juist voor dat hersencellen deze stof beter kunnen opnemen door zogenaamde ‘NMDA receptoren’ te beschermen.

Helaas is het tekort aan neurotransmitters geen oorzaak, maar een gevolg van dementie. Deze medicijnen kunnen de ziekte daardoor niet vertragen, maar alleen enkele symptomen bestrijden. Nog steeds vindt er onderzoek plaats naar de rol van neurotransmitters bij verschillende vormen van dementie. Onderzoekers hopen zo meer symptomen van verschillende soorten dementie te verminderen.

4. Genetisch onderzoek geeft nieuwe inzichten en nieuwe onderzoeksrichtingen

Slechts een kleine minderheid van de gevallen van dementie wordt door één gen van ouder op kind overgedragen. Het gaat in deze gevallen vaak om dementie op jonge leeftijd. De ontdekkingen van genen die dementie veroorzaken geven een uniek inzicht in de oorzaak van deze zeldzame vormen van dementie. Maar ze vertellen ook veel over de niet erfelijke vormen van dementie. De erfelijke vormen van dementie die tot nu toe bekend zijn:

  • Alzheimer: waarschijnlijk wordt ongeveer 1% van alle gevallen door genen veroorzaakt, dit zijn APP (1987), PSEN1 en PSEN2 (beide in 1995).
  • Frontotemporale dementie: in ongeveer 40% van de gevallen. Verschillende genen zijn in de loop der jaren ontdekt zoals MAPT (1998), GRN (2006) en C9ORF72 (2011).
  • Lewy body dementie en Parkinson (dementie): genetische oorzaak komt erg weinig voor. Toch is er er een afwijkend gen voor alfa synucleïne (SNCA) ontdekt.
  • Vasculaire dementie: zeldzame vormen zijn erfelijk. Bekende erfelijke vormen zijn Cerebrale Cerebrale amyloïd angiopathie (CAA), ontstaat door verandering in APP gen (1990).  En ‘CADASIL’, veroorzaakt door veranderingen in het Notch3 gen (1996).  

Buiten de genen die dementie veroorzaken, zijn er nog veel meer genen die het risico op dementie verhogen óf die het risico juist verlagen. Alleen al voor de ziekte van Alzheimer zijn er in de afgelopen dertig jaar meer dan 70 risicogenen gevonden. De ontdekkingen van nieuwe genen blijven doorgaan. Elke ontdekking van een nieuw gen opent een nieuwe onderzoeksrichting om de processen die een rol spelen bij alzheimer verder in kaart te brengen. Zo werd onder andere ontdekt dat de cholesterolhuishouding, ontstekingen, en andere stofwisselingsprocessen een rol spelen bij de ziekte van Alzheimer.

5. Fundamenteel onderzoek leidt tot betere diagnostiek en medicijnen

Deze ontdekking van de eiwitten, prikkeloverdragende stofjes en genen vormt de basis van verder onderzoek naar de oorzaken van dementie. Elke nieuwe ontdekking levert nieuwe puzzelstukjes op die het beeld van dementie steeds helderder maken. Sinds 1993 heeft Alzheimer Nederland 30 miljoen geïnvesteerd in fundamenteel onderzoek. Onderzoek dat een cruciale bijdrage heeft geleverd aan ons begrip van dementie.

Deze kennis is de basis voor onderzoek naar medicijnen. Daarnaast is dit betere begrip van de ziekte essentieel voor de diagnostiek. Al jaren helpt het meten van alzheimereiwitten in hersenvocht artsen om de diagnose ziekte van Alzheimer te stellen. Ook nieuwe hersenscans en zelfs bloedtesten worden op deze manier ontwikkeld. 

6. Kennis over ziekteprocessen leidt tot risicoreductie

Dementie werd lange tijd gezien als onvermijdelijk, als een onderdeel van het natuurlijke proces van veroudering. Die kijk is de laatste twintig tot dertig jaar geleden veranderd. Nu verschijnen er ieder jaar honderden wetenschappelijke studies over het voorkomen van dementie. Onderzoekers maken hierbij gebruik van de kennis over ziekteprocessen van dementie. Er zijn processen gevonden die de ziekte veroorzaken, maar ook processen die beschermend werken. Dat heeft het onderzoek naar het voorkomen van dementie in een stroomversnelling gebracht.

Onderzoek met de gegevens van grote groepen mensen levert veel kennis op over risicofactoren. Hoge bloeddruk, roken, hoog cholesterol, alcohol, weinig lichaamsbeweging en mentaal en sociaal minder actief zijn vergroten bijvoorbeeld de kans op dementie. Maar het onderzoek gaat door. Ook zaken die belemmeren dat we sociaal en nieuwsgierig kunnen zijn, lijken bijvoorbeeld invloed te hebben. Zo laat recent onderzoek naar gehoorbeschadiging, eenzaamheid en depressie bijvoorbeeld zien dat ze het risico op dementie vergroten. Waarom dat precies is, weten we echter niet. Nieuw onderzoek hiernaar moet aanwijzingen geven of bijvoorbeeld het behandelen van depressie of gehoorschade de kans op dementie kan verkleinen. 

Alzheimer Nederland vertaalt de laatste inzichten uit onderzoek naar informatie op haar website. In onderzoek maken we ons hard voor de vertaling van de resultaten. Het veranderen van gedrag is namelijk lastig. Een belangrijke vraag is dus ook: hoe kunnen we als maatschappij en als individu zorgen voor blijvende verandering van ongezond naar gezond gedrag?

7. Persoonsgerichte benadering zorgt voor beter leven met dementie

Met het stijgen van de kennis over de oorzaken van dementie, werd de ziekte steeds meer een ‘medisch probleem’. Met de beste intenties werden zorgmethoden ontwikkeld die gericht waren op de ziekte. Zo was er veel aandacht voor het zoveel mogelijk op peil houden van het geheugen en andere denkprocessen. Ook werd dementie ingedeeld in verschillende fasen. Waarbij iemand in een andere fase van dementie ook weer een andere vorm van zorg behoeft. Veel artsen en onderzoekers denken dat deze ‘ziekte’-centrale benadering een belangrijk nadeel heeft. De focus op de ziekte, zorgde ervoor dat andere elementen werden vergeten. Namelijk de mensen met dementie en zijn omgeving.

Pas in 1997 kwam hier meer aandacht voor de persoon zelf en zijn omgeving door een wetenschappelijke publicatie van prof. Tom Kitwood. Op dit model is sindsdien voortgebouwd door vele onderzoekers en mensen uit de praktijk. De enorme impact van het model, is misschien wel het sterkst te zien in het symbool van de Dementie Vriendelijke Samenleving (het vergeet-me-nietje). Het hart van het vergeet-me-nietje staat symbool voor (de liefde voor) de persoon met dementie. De bloemblaadjes stellen voor wat een mens, en zeker iemand met dementie, nodig heeft: veiligheid, comfort, zelfwaardering, activiteiten en het gevoel om erbij te horen. 

8. Ziektes zijn te beïnvloeden met medicijnen

De kennis over dementie neemt steeds verder toe. We weten steeds meer over de ziekte, het voorkomen van dementie en over goede ondersteuning van mensen met dementie en hun naasten. Toch wil iedereen het liefst dementie voorkomen. En als dat niet kan, de ziekte behandelen of zelfs stoppen.

Het medicijnonderzoek naar dementie bleek veel complexer dan twintig jaar geleden werd aangenomen. Bij de ziekte van Alzheimer werd sterk gefocust op het eiwit amyloïde. Dit eiwit weghalen wanneer iemand al (beginnende) dementie heeft blijkt echter keer op keer niet of nauwelijks te helpen. Het eiwit verdwijnt wel uit de hersenen, maar de patiënt gaat er niet of nauwelijks op vooruit.

Alle onderzoeken leveren echter bij aan de kennis over dementie. Heeft de behandeling van amyloïde echt geen zin? Of moet deze behandeling eerder? Helpt een behandeling van het eiwit tau misschien? Of heeft het behandelen van risicofactoren effect? Zo werd en wordt er onderzoek uitgevoerd naar het behandelen van bijvoorbeeld hoge bloeddruk en hoog cholesterol. Soms worden zelfs medicijnen tegen andere ziekten uitgeprobeerd. Heeft bijvoorbeeld de bijwerking van een medicijn tegen astma, kanker of aids niet een effect op dementie?

Al dit onderzoek leidde in het verleden al tot honderden verschillende medicijnstudies, naar alle bekende vormen van dementie. Helaas is er voor geen enkele vorm van dementie een behandeling die de ziekte kan voorkomen of stoppen. Maar alle kennis van medicijnonderzoek en het fundamentele onderzoek naar de oorzaken van dementie draagt bij aan de ontwikkeling van medicijnen. Voor de nabije toekomst (tien tot vijftien jaar) kan het leiden tot medicijnen die de ziekte vertragen of de symptomen verzachten. Voor de verre toekomst kan het leiden tot medicijnen die de ziekte voorkomen of genezen. Lees ook: Hoe werkt medicijnonderzoek?